5.7.8 VKG montagevoorschriften

Als onderdeel van de kwaliteitsbewaking en borging van de montage van kunststof kozijnen, ramen en deuren zijn de VKG montagevoorschriften in het leven geroepen. Deze voorschriften behandelen zeven belangrijke aspecten van de montage en de voorbereiding daarvan.

5.7.8.1 Voorbereidingen

Op de montageplaats dient de meest recente uitgave van het VKG-kwaliteitseisen en adviezen® aanwezig te zijn. Hierin staan behalve de eisen en adviezen voor de productie en montage van kunststof gevelelementen vijftig referentiedetails voor nieuwbouw en renovatie. Deze details geven aan hoe er in de meest voorkomende gevallen gemonteerd dient te worden. Wanneer sprake is van een afwijkende detaillering dienen door de opdrachtgever schriftelijk goedgekeurde tekeningen met aansluitdetails aanwezig te zijn. De montage moet volgens bovenstaande gegevens plaatsvinden.
Bij renovatie van bewoonde objecten dienen maatregelen genomen te worden ter voorkoming van beschadiging van vloerbedekking, meubels e.d.

5.7.8.2 Gereedschap

Onderstaande zaken dienen op de bouwplaats aanwezig te zijn:

  • VKG-kwaliteitseisen en adviezen®;
  • Goedgekeurde aansluitdetails(bij afwijkende detaillering);
  • Glaslepel;
  • Kunststofhamer (zachte);
  • Klauwhamer;
  • Maanmes (gereedschap voor het vervangen van glaslatten);
  • Stelsleutel voor draai-valramen;
  • Ratel voor het afstellen 3-D-scharnieren;
  • Inbussleutel;
  • Schroevendraaierset;
  • Koevoet;
  • Lijmklemmen (met bescherming);
  • Glaszuigers;
  • Meetlint + potlood;
  • Waterpas;
  • Klopboormachine;
  • Zaagtafel;
  • Accuboormachine;
  • Reprozaag;
  • Goedgekeurde steiger wanneer van toepassing;
  • Stofzuiger en Afdekkleden.

5.7.8.3 Materialen

Het transport en de opslag van de gevelelementen dient zodanig te gebeuren dat er geen beschadiging of vervuiling van de gevelelementen optreedt. (VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.1 t/m § 5.6)

Het is bij montage alleen toegestaan af te wijken van de VKG-kwaliteitseisen en adviezen® wanneer hierover duidelijke schriftelijke afspraken zijn gemaakt met de opdrachtgever. 
(VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.7.3.1)

De te monteren gevelelementen dienen voorzien te zijn van de juiste markeringen. (VKG-kwaliteitseisen en adviezen § 9.4)

De (hulp)materialen zoals dichtingen, PUR, steun en stelblokjes die gebruikt worden dienen geschikt te zijn voor hun toepassing.
(VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.8§ 5.7.5§ 3.6)

5.7.8.4 Bouwkundig kader

Het bouwkundige kader waarin het kunststof gevelelement in gemonteerd wordt, is voor een belangrijk deel bepalend voor de kwaliteit van de montage. Tijdens het ontwerpen van de aansluiting dient met een aantal belangrijke eisen rekening gehouden te worden. Het is van belang deze eisen nogmaals te controleren bij de montage:

a. De omringende bouwkundige constructie mag geen krachten uitoefenen op het kunststof gevelelement. Tevens dient deze constructie voldoende sterk en stijf te zijn om de optredende belastingen volgens NEN-EN 1990 en NEN-EN 1991 te kunnen afvoeren. Het dient tevens een lucht- en waterdichte, vlakke, haakse, en scheluwvrije aansluiting van VKG gevelelementen mogelijk te maken.

b. Het bouwkundige kader waarin de gevelelementen worden gemonteerd moet zodanig zijn uitgevoerd dat de krachten die op het gevelelement worden uitgeoefend (zoals windbelasting en eigen gewicht) via verankeringen en stelkozijnen worden overgedragen op de bouwkundige constructie.

c. De bouwkundige constructie dient geschikt te zijn om er een gevelelement aan te verankeren. Dit kan soms problemen geven, bijvoorbeeld bij vrijstaande borstweringsconstructies.

d. Het gevelelement moet op een rechte, vormvaste en vlakke basis rusten (bijvoorbeeld een onderdorpel van een stelkozijn) en over de volle breedte van het kozijn zijn ondersteund.

e. Bij het ontwerpen van de aansluitdetails behoort rekening te worden gehouden met de ruimte die nodig is om de ankers, scharnieren en dergelijke te kunnen plaatsen en afdekken (bijvoorbeeld draaivalramen). De ankers moeten zodanig zijn ontworpen dat een goede bevestiging mogelijk is.

f. Lengteveranderingen door temperatuurschommelingen van het kunststof gevelelement moeten altijd plaats kunnen vinden.

g. Er moeten maatregelen worden getroffen om lucht- en waterinfiltratie vanuit de spouw te voorkomen.

h. In de bouwkundige constructie dienen voorzieningen aanwezig te zijn om vocht uit de spouw goed naar buiten af te voeren.

i. Aansluitingen dienen zodanig te worden geconstrueerd dat er geen koudebruggen voorkomen of – indien dit constructief onvermijdelijk is – moeten deze met isolatie(materiaal) tot een minimum worden beperkt.

j. Er mogen geen vochtbruggen in de aansluitconstructie voorkomen. Deze kunnen ontstaan door capillaire werking na een periode van zware regenval in combinatie met (zeer) zware storm.

k. Afdichtingsprofielen die aan de buitenzijde worden gebruikt kunnen onder wind- en regenbelasting op den duur water doorlaten, onder andere door pompwerking. Voor opvang en gecontroleerde afvoer naar buiten van dit water moeten voorzieningen worden getroffen. Dit kan bijvoorbeeld door de afdichtingsprofielen aan de buitenzijde (op de plaats van de onderzijde van de stijlen) plaatselijk te onderbreken.

l. Het is gewenst dat de gevelelementen in een zo laat mogelijk stadium van de bouw worden gemonteerd. Dit om beschadigingen en vervuiling te voorkomen.

m. Eventuele uitwendige verstijvings- en koppelingskokers (dit zijn niet de metalen verstijvingskokers die in de kunststof profielen zijn opgenomen) dienen aan de omringde bouwkundige constructie te worden verankerd. Het verdient aanbeveling deze uitwendige verstijvingen aan de binnenzijde van de gevel te plaatsen.

n. Indien bij een deurconstructie geen onderdorpel aanwezig kan/mag zijn of een onderdorpel van een ander materiaal moet worden gebruikt, moet aan de detaillering voor het bevestigen van de deurkozijnstijlen extra zorg worden besteed (bijvoorbeeld door middel van een stalen hoekprofiel). Ook dient hier aan het gecontroleerd afvoeren van water extra aandacht te worden geschonken.

o. Aanbevolen wordt zo veel mogelijk band-voegconstructie (‘droge’ aansluitingen) te gebruiken.

p. Bij renovatie met (schoon) metselwerk aan de buitenzijde verdient het aanbeveling dat de neggemaat van het nieuwe stelkozijn kleiner is dan, of gelijk aan de oude neggemaat.

q. De VKG-gevelelementen dienen, met een maximale afwijking van 1 mm/m1, waterpas, te lood, haaks en vrij van scheluwvorming te worden gemonteerd. Dit alles met inachtneming van een tolerantie van plus of min 3 mm ten aanzien van de as- en stramienlijnen en de peilmaten.

r. Bij gestapelde elementen dient tussen de elementen/puien onderling een lekdorpel – achter de onderdorpel – van het bovenste element te worden aangebracht, zodat het lekwater voor de koppelnaad langs de gevel stroomt. (VKG-Kwaliteitseisen en Adviezen® § 5.7.3.3)

5.7.8.5 Stelkozijn

Het gevelelement wordt verankerd met behulp van montage op een stelkozijn. Het stelkozijn kan van hout of kunststof zijn. In sommige gevallen, wanneer het bouwkundige kader en de spouwlat voldoende sterk, stijf en duurzaam zijn zodat de optredende belastingen duurzaam afgevoerd kunnen worden, is het toegestaan te monteren op de spouwlat. In dit geval wordt gesproken over een geïntegreerd stelkozijn. Hiervoor gelden dezelfde eisen als voor de houten stelkozijnen.
Houten stelkozijnen dienen verduurzaamd te zijn volgens de KVT. (VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.7.3.4)

Het stelkozijn moet voorzien in voldoende omtrekspeling van het kunststof gevelelement. Het stelkozijn dient te voorzien in een rechte, vormvaste en vlakke basis als ondersteuning van de onderzijde van het kunststof gevelelement.
(VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.7.3.4)

5.7.8.6 Montage

De verankeringen moeten tussen 150 en 200 mm vanuit de binnenhoeken van het element zijn aangebracht. De onderlinge afstand van deze bevestigingspunten mag niet meer bedragen dan 700 mm. Verder dienen de verankeringen te worden aangebracht 150 en 200 mm vanuit de binnenhoeken van de aansluiting van tussenstijlen of -regels.

Op de plaats van de scharnieren van ramen en deuren moeten de puntlasten op het bouwkundige kader worden overgebracht, rekening houdend met de minimumafstand van 150 mm uit de hoeken of tussenstijlen of -regels.

De stijlen die direct aan het bouwkundige kader worden bevestigd en waaraan beweegbare delen worden gemonteerd of waarop puntlasten aangrijpen, moeten deugdelijk worden gefixeerd, bijvoorbeeld door middel van doorschroeven met achtervullingen. Stijlen waartegen deuren of andere beweegbare delen sluiten dienen op de plaats van de sluitplaaten of -kommen te worden gefixeerd door middel van doorschroeven of verzwaren van de stijlen.
(VKG-kwaliteitseisen en adviezen®§ 5.7.4)

De onderdorpel van het kunststof gevelelement dient volledig vlak en volledig ondersteund te worden. (VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.7.3.3)

Onderdorpels die doorgeschroefd zijn dienen ter plaatse van de schroeven te worden afgedicht om waterinfiltratie te voorkomen (b.v. de schroef is gebed in elastische kit of de schroef is voorzien van een afdichtingsring).

De gevelelementen dienen door middel van een dubbele dichting tegen het bouwkundige kader te worden gemonteerd. De buitendichting is bedoeld als waterkering, de binnendichting is bedoeld als afdichting tegen luchtinfiltratie. (VKG-kwaliteitseisen en adviezen® )

Bij gebruik van voorgecomprimeerde cellenband moet de band in de voeg in het algemeen 25% van de uiteindelijke ongecomprimeerde afmeting zijn gecom-primeerd, tenzij de verwerkingsvoorschriften anders voorschrijven. Dus voor een voeg van 10 mm dient een band gebruikt te worden van 40 mm. De dichtingband mag niet opgerekt of om hoeken getrokken worden. (VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.8)

Bij dichtingen is het erg belangrijk dat het juiste materiaal toegepast wordt op de juiste plek. (VKG-kwaliteitseisen en adviezen®§ 5.7.5

De verticale en horizontale doorbuiging van regels en dorpels mag zijn aan maximale waarden verbonden:

• verticaal maximaal 2 mm;
• horizontaal:
– lengte L ≤ 3,0 m : u ≤ 0,005 (=1/200) * L;
– 3,0 m < L ≤ 7,5 m : u ≤ 5 + L/300;
– L > 7,5 m : u ≤ L /250.

(VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 4.9)
De omgevingstemperatuur waarbij kunststof gevelelementen gemonteerd mogen worden bedraagt minimal -3º C, de maximale omgevingstemperatuur bedraagt + 30º C.
(VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.7.4)

Bij montage van het glas dienen de steunblokjes en stelblokjes volgens de beglazingsvoorschriften te worden gebruikt.(VKG-kwaliteitseisen en adviezen® )

Wanneer het bouwkundige kader het toelaat, dienen de kunststof gevelelementen waterpas, te lood, vlak en scheluwvrij te worden gemonteerd.
(VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.7.3.3)

Nadat de montage is afgerond, dient van elk gevelelement te worden gecontroleerd of:

• de beweegbare delen en het hang-en sluitwerk goed en soepel functioneren;
• de beglazing niet beschadigd is;
• de aansluitingen op het bouwkundige kader correct zijn uitgevoerd;
• het oppervlak vrij is van zichtbare beschadigingen. Deuren en andere beweegbare delen mogen niet aanlopen, schranken of ‘nekken’;
• de hangstijl mag niet wringen/torderen bij het openen of sluiten.

(VKG-kwaliteitseisen en adviezen® § 5.2)

5.7.8.7 Oplevering

Oplevering vindt plaats door middel van een opleveringscontrolelijst. Deze lijst moet voldoen aan de door de VKG opgestelde eisen. Een voorbeeld hiervan is op te vragen bij het VKG-bureau.